Poëzie van de daklozen

 

Overlevingsstrategie

 

Ze zwerven. 

 

Ze gaan langzaam door het ritme van de ruimte. Het zijn daklozen. 

Ze bewandelen een traject van aanwezige ruimte. 

 

De dominante regels van het publieke interieur (wetten, regels en tijdstippen) verjagen hen in de wandeling.
Ze worden dynamisch. 

 

Ze gebruiken en omheinen de plekjes van het publieke. 

Ze vinden territorium binnen en buiten. In functieruimtes en ruimtes om door te stromen 
(zoals wasserettes, bibliotheken en stations)

 

Ze bezitten het niet-hebben, en daarom bezitten ze vrijheid. 

Om de ruimte te lezen op hun eigen en subjectieve manier.
(De banken worden bedden, holtes als rioolputten worden kasten)

 

 

De overlevingsstrategie van de daklozen is opgebouwd uit vijf bouwstenen (besloten uit eigen onderzoek) : 

1. Traject 2. dominantie 3. territorium afbakenen 4. camouflage en 5. subjectieve lezing.

 

Een verschil valt op te merken tussen het huis van de bewoner als centrum en het traject van de dakloze. Ze gaan op zoek naar verschillende 

plekken in het publieke interieur die hun primaire behoeftes kunnen vervullen. Ze leggen een traject af van de ene ‘kamer’ naar de andere ‘kamer’ in de stad.

 

Door de dominantie van bepaalde plaatsen, meestal vertaald in een strategische codering (voorgevormde publieke banken die niet bedoeld zijn als slaapplaats, bodyguards die een oogje in het zeil houden naar ongewenste gebruikers,…) kunnen de daklozen slechts een bepaalde tijd blijven op een plek, of moeten ze door sluitingstijd van de ruimte zich dynamisch verplaatsen in hun traject naar een andere ruimte.

 

Het territoriumgedrag wijst er op dat ieder individu zijn territorium wil afbakenen, behouden en toeëigenen. Voor iedere doelgroep (bewoner of dakloze) zal dit territorium anders geïnterpreteerd worden, anders afgebakend en ingenomen, een andere functie hebben en een andere schaal hebben.

Maar ieder individu gaat telkens op zoek naar beschutting, omheining, bescherming en veiligheid. De bewoner zal zich inplanten zonder aanwezigheid van andere elementen. De dakloze zal zich vastklampen aan aanwezige elementen van het landschap/publieke interieur.

 

Een dimensie die ik persoonlijk zou willen toevoegen is de term ‘camouflage’. Met de term ‘camouflage’ wil ik aangeven dat daklozen zich aanpassen, aan de functie van de ruimte, ze doen zich voor als functioneel gebruiker terwijl ze op zoek zijn naar primaire behoeftes zoals warmte. 

 

 

De dakloze gebruikt het publieke interieur eerder subjectief. Hij moet zijn basisbehoeftes zoeken en vervullen in het publieke interieur want hij heeft geen huis als basis. Hij gebruikt daarom veel ruimtes en objecten op een subjectieve manier. Hij interpreteert de ruimtes en objecten om zijn basisbehoeftes in te vullen. Hij gebruikt de warmte van een functieplaats (bv. Bibliotheek, station, …). Hij gebruikt openbare voorzieningen zoals toiletten en beschikbaar water voor de primaire behoefte van hygiëne. Slaapplaats vinden de daklozen op plaatsen en objecten die er vaak niet voor bedoeld zijn. 

 

Uit dit onderzoek vormt zich het ‘mission statement’. Het ontwijkt het oplossen van de daklozenproblematiek op zich, maar gaat op zoek naar een versterkende (mentale) laag bovenop de overlevingsstrategie. Deze laat een open ontwerpantwoord toe in de vorm van een interpretatief en autonoom siteloos ontwerpmodel.

 

 

Ontwerpmodel

 

Het wonen zonder huis wordt expliciet gemaakt in een ruimte.

Er wordt een ontwerpmodel gecreëerd dat een mapping maakt van de overlevingsstrategie van de daklozen. Naast fysieke waardes (die vervuld worden met de 

overlevingsstrategie) worden ook mentale waardes ingeschakeld. Zoals herinnering, verbeelding en identiteit. Bij bewoners biedt het huis daarvoor een houvast. 

Bij daklozen worden deze waardes op een andere manier gebruikt. De herinnering aan het huis als bescherming en veiligheid is de basis. 

Deze is de generator van hun verbeelding, ze gaan op zoek naar het huis in de stad.

 

De ontwerpmethode is gebaseerd op de herinnering aan het huis, en de verbeelding van het huis in de stad. 

Het vertrekpunt voor het model is een mentale reconstructie van het ouderlijk huis van een dakloze. 

 

De ruimtes die herinneringen oproepen bij de dakloze worden gereconstrueerd. De buitenstructuur van deze heropgebouwde ruimte, ontstaan vanuit de herinnering, vormt telkens een frame voor de verbeelding*. De ruimtes worden ontdaan van al hun functies. De objecten (kast, tafel, ...) zijn omgezet naar volumes of holtes, 

zodat de functie verdwijnt.  Op deze manier blijft enkel nog een (herinnerings)beeld over. 

 

De buitenschil van deze ruimte neemt een bepaalde vorm of structuur aan die vrij kan geïnterpreteerd worden. 

Het wordt ingevuld door de verbeelding, en geeft vorm aan nissen, hoeken, bescherming en rugdekking. De opbergvolumes in de herinneringsruimte (kasten, rekken,…) worden nu vormen of volumes die in de buitenschil een hoek of een nis creëren. De verblijfsobjecten (tafel, stoelen, zetel,…) zijn in de herinneringsruimte een holte geworden, terwijl een holte door de dakloze als opbergruimte wordt gelezen.

 

De schaal is eveneens belangrijk in de herinneringsruimte, alles is groter gemaakt. Plaatsen en objecten nemen in de herinnering ook andere dimensies aan. 

Daarnaast zijn elementen in de stad waarmee daklozen hun basisbehoeftes vervullen ook nooit op ergonomische schaal.

 

De identiteitscodes blijven belangrijk in het ontwerpmodel. Het zwerven en het afleggen van een traject moet duidelijk naar voor komen doorheen het model. 

Dit kan door de kamers nooit achtereenvolgend toegankelijk te maken. Iedere kamer heeft een aparte toegang. 

Zo moet er telkens een weg worden afgelegd om een andere kamer te bereiken. 

 

Het model moet een interpretatieve leegte uitstralen. Een leegte die uiterst publiek wordt, zodat de vergankelijke taal kan weerklinken doorheen de holtes en volumes van de structuur. Vergankelijk in de zin van het niet bezitten van de ruimte, en geen verantwoordelijkheid moeten nemen voor het gebouwde.